Gedichten

De stad die mij eerst afwees

De stad die mij eerst afwees

Als de pest haatte ik deze stad
toen ik in 1972 eenzaam bij
haar introk. Ik wierp mij op haar
straten, maar de straten sloegen mij af,
bij elke hoek, bij elke steeg, en dan
die eeuwige Dom, …die trotse “Nike”
ook zij negeerde mij, toch won deze stad ,
als oude dame , het van steden die jonger

en rijker, pronkten met hun zachte veren
terwijl this old lady, mij schurend vertrouwd werd.
S’ avonds stak zij haar lichten aan
dan in de nachtelijke intimiteit, nam ze mij
in haar armen, wankelend en nachtblind
gaf ik me over, durfde ik het kleine
meisje te zijn, dat verstoppertje
speelde in de rijke kamers

van deze wispelturige stad. Ik bedelde
om haar gunst en ik bleef, veertig jaren
voordat we gescheiden werden
en ik alleen met een boot afvoer
via de Vecht naar de Eem
waar ik aanmeerde bij een kleine haven.
In de besloten schil van die stad
die veel bescheidener is,

zit ik wel eens op een trap, en bij de klanken van een
ander carillon, denk ik terug
aan haar arrogantie, haar pleinen,
haar drukte, haar fietsen, haar Dom.
Dan droom ik van haar lach
die ik soms in stilte nog
wel eens mis overdag.

Marlies Souren